Naar de inhoud
Onderdeel van AWL — Accountancy Weer LeukNaar de hoofdsite →
AWL.Onderzoek
§ Uitgewerkte opzet bij vraag 1uitgewerkte opzet

Wie stuurt er eigenlijk?

Onderzoeksopzet — financieel stuurgedrag in het klein-MKB en de rol van administratie- en accountantskantoren

Concept, versie 1 — uit te zetten onder de vlag van Accountancy Weer Leuk (AWL)


1. Aanleiding

Sinds 2001 worden er geen eisen van algemene ondernemersvaardigheden meer gesteld aan wie een bedrijf begint; vanaf 1 januari 2004 verdwenen ze volledig en op 18 juli 2007 verviel de Vestigingswet Bedrijven 1954. Bij het schrappen van de AOV-eisen koos de wetgever bewust voor voorlichtingsprogramma’s in plaats van vergunningseisen; de intrekking van 2007 betrof de resterende eisen rond vaktechniek, veiligheid, gezondheid en milieu. Of dat gewerkt heeft, is nooit gemeten.

Wat we wel weten, is fragmentarisch en deels verouderd:

  • KVK (Grip op de tent, 2016, n=1.676): ongeveer de helft van de ondernemers is onzeker over de eigen financiële kennis; 52% over de basisprincipes van balans en V&W. Slechts 25% laat zich ondersteunen bij vooruitkijken. 62% van de mkb’ers had in drie jaar een ongewenste financiële situatie.
  • Collis & Jarvis (2002, VK): kleine ondernemingen sturen vooral op tussentijdse cijfers en cashflow, in relatie tot de bank. De jaarrekening staat onderaan.
  • Ravical/Multiscope (april 2026, n=179): 64,2% ervaart de relatie met het kantoor als reactief; 13,4% heeft een echte sparringpartner. Besteld door een AI-softwareleverancier die aan kantoren verkoopt.
  • Ravical/Censuswide (VK, 2026, n=500): 70% handelt op AI-advies vóór de accountant geraadpleegd wordt.

Wat in al deze bronnen ontbreekt: of er ergens een stuurcyclus draait, en bij wie. Meten, interpreteren, iets veranderen, opnieuw kijken. Brancheorganisaties meten het niet — Novak richt zich op kantoorregelgeving (SKM 1), NOAB benchmarkt de kantoren zelf, en SRA’s Branches in Zicht analyseert de cijfers van de ondernemer, niet zijn gedrag.

2. Kernvraag

Draait er in het klein-MKB een financiële stuurcyclus, wie is daarvan de eigenaar, en is dat veranderd nu ondernemers AI gebruiken?

Onderliggende vragen:

  1. Bestaat de cyclus? Verandert de ondernemer aantoonbaar iets naar aanleiding van een cijfer, en kijkt hij daarna terug of het werkte?
  2. Wie is de eigenaar? Stuurt de ondernemer zelf, of stuurt zijn kantoor en meldt het de uitkomst? Beide zien er van buiten uit als goede dienstverlening, maar alleen het eerste is ondernemersvaardigheid.
  3. Hoe faciliteren kantoren dit? Bouwen ze aan het vermogen van de klant, of nemen ze het over?
  4. Wat doet AI? Vult AI het gat dat in 2001 openviel, of is het opnieuw substitutie — dezelfde afhankelijkheid, alleen goedkoper?

3. Wat dit onderzoek onderscheidt

Drie keuzes, en ze zijn alle drie nodig:

Gedrag, geen intenties. Iedereen zegt ja op “gebruikt u uw cijfers om te verbeteren”. De kern van beide vragenlijsten is daarom de critical incident-techniek: noem de laatste keer, wat was het cijfer, wat veranderde er, wanneer was dat. Geen antwoord telt als geen cyclus.

Gespiegelde vragen aan beide kanten. Dezelfde gebeurtenis wordt uitgevraagd bij ondernemers én bij kantoren. Kantoren zullen hun adviesrol overschatten; het verschil tussen beide antwoorden is geen ruis maar de uitkomst.

Onafhankelijke opdrachtgever. Het enige recente Nederlandse materiaal komt van een leverancier met belang bij de uitkomst. Replicatie door een partij zonder verkoopbelang is op zichzelf al nieuws.

4. Opzet

Twee steekproeven, één veldperiode.

Steekproef A — ondernemers (n ≈ 700)

Klein-MKB, 1–20 fte, alle sectoren. Kwota op bedrijfsgrootte (1–4 / 5–9 / 10–20 fte), sector en leeftijd van het bedrijf (<5 jaar / 5–15 / >15).

Belangrijk: inclusief ondernemers zonder extern kantoor, streefverhouding 75/25. De groep zonder kantoor is precies de groep waar het maatschappelijke gat zit, en die ontbreekt in al het bestaande onderzoek.

Methode: online panel, ongeveer 12 minuten. Aanvullend 20–25 telefonische diepte-interviews om de open antwoorden te kunnen coderen.

Steekproef B — kantoren (n ≈ 200)

Administratie- en accountantskantoren met overwegend klein-MKB in portefeuille. Werving via NOAB, Fiscount en directe benadering, met een expliciete quota voor niet-aangesloten kantoren.

Methode: online, ongeveer 10 minuten.

Optionele module C — echte koppels (n ≈ 25)

Kantoren die één klant meebrengen, beiden apart bevraagd over dezelfde beslissing. Kwalitatief, geen statistiek, maar levert het illustratiemateriaal waar publicatie op drijft. Kost weinig extra en maakt het verhaal.

5. Kernuitkomst: de vier typen

De analyse leidt naar één indeling, gebaseerd op gedrag en niet op zelfbeeld:

Type Kenmerk
A. Eigen regie Ondernemer heeft eigen ritme, eigen getallen, verandert en kijkt terug. Kantoor levert.
B. Uitbestede regie Kantoor signaleert, adviseert, ondernemer volgt. Werkt, maar bouwt geen vaardigheid op.
C. Gedeelde regie Vast overlegritme, ondernemer brengt zelf vragen in.
D. Geen regie Alleen compliance. Sturen gebeurt op bankstand en gevoel.

De vraag die het onderzoek publicabel maakt is niet hoe groot type D is, maar hoe groot type B is. Dat is de substitutiehypothese: het gat van 2001 werd niet gedicht met bekwaamheid maar met een leverancier. En dan is de AI-vraag simpel: verschuift er iets van B naar A, of komt er een type B2 waarin de leverancier een tool is.

6. Vragenlijst A — ondernemers

Filtervragen en achtergrond (F1–F6) niet uitgeschreven: rechtsvorm, fte, sector, oprichtingsjaar, rol respondent, wel/geen extern kantoor.

Blok 1 — Wat kijk je, en waar staat het

  1. Welke financiële getallen bekijk je met een vaste regelmaat? (meerkeuze: banksaldo, omzet, marge, openstaande facturen, kosten per post, liquiditeitsprognose, orderportefeuille, geen)
  2. Waar staan die getallen? (bankapp, boekhoudpakket, eigen spreadsheet, dashboard van kantoor, in mijn hoofd, anders)
  3. Hoe vaak kijk je? (dagelijks / wekelijks / maandelijks / per kwartaal / bij de jaarrekening / onregelmatig)
  4. Is dat kijken ergens vastgelegd — een vast moment, een terugkerende afspraak, een agendapunt? (ja, beschrijf / nee)

Blok 2 — De cyclus (kern)

  1. Noem de laatste keer dat je iets in je bedrijf hebt veranderd naar aanleiding van een cijfer. (open, verplicht of expliciet “dat is niet gebeurd”)
  2. Welk cijfer was dat? (open)
  3. Wat veranderde je concreet? (open)
  4. Wanneer was dat ongeveer? (maand/jaar)
  5. Hoe kwam je dat cijfer op het spoor? (ik zag het zelf / mijn kantoor wees me erop / een adviseur of bank / een AI-tool / iemand anders)
  6. Heb je later gekeken of de verandering effect had? (ja, aan welk cijfer / nee / weet niet meer)
  7. Hoeveel van dit soort momenten had je het afgelopen jaar? (0 / 1 / 2–3 / 4 of meer)

Blok 3 — Beslissingen zonder cijfers

  1. Welke van deze beslissingen nam je het afgelopen jaar? (investering >€10.000, prijsverhoging, personeel aannemen of laten gaan, dividend of salaris DGA, financiering aanvragen, product of dienst stoppen)
  2. Per genomen beslissing: heb je daarbij naar cijfers gekeken? (ja, welke / nee, op gevoel / nee, mijn kantoor rekende het door)
  3. Achteraf: had je die beslissing anders genomen met betere informatie? (ja / nee / weet niet)

Blok 4 — De rol van het kantoor (alleen mét kantoor)

  1. Hoe vaak spreek je je kantoor buiten de vaste momenten om? (nooit / 1–2x per jaar / per kwartaal / maandelijks of vaker)
  2. Wie belt wie? (vrijwel altijd ik / meestal ik / ongeveer gelijk / meestal zij)
  3. Wanneer kreeg je je laatste jaarrekening, over welk boekjaar? (maand + jaar)
  4. Heb je die doorgenomen? (zelf gelezen / besproken met kantoor / gescand / niet gelezen)
  5. Is er naar aanleiding van die jaarrekening iets veranderd in je bedrijf? (ja, wat / nee)
  6. Wat zou je missen als je kantoor er morgen mee stopte? (open)
  7. Wat had je het afgelopen jaar willen weten dat je niet wist? (open)

Blok 5 — AI

  1. Gebruik je AI-tools voor je bedrijf? (ja, welke / nee)
  2. Heb je het afgelopen jaar een financiële of fiscale vraag aan een AI-tool gesteld? (ja / nee)
  3. Zo ja: wat voor vraag was dat? (open)
  4. Heb je naar aanleiding daarvan iets gedaan? (ja, zonder overleg / ja, na overleg met kantoor / nee)
  5. Als je vandaag een financiële vraag hebt, waar ga je het eerst heen? (kantoor / AI-tool / bank / collega-ondernemer / zoekmachine / niemand)
  6. Verwacht je dat je kantoor over drie jaar belangrijker of minder belangrijk is? (belangrijker / gelijk / minder / weet niet)

Blok 6 — Zonder kantoor (alleen zonder)

  1. Waarom heb je geen extern kantoor? (kosten / doe het zelf / niet nodig / slechte ervaring / anders)
  2. Wie controleert of je aangifte klopt? (niemand / software / familie of kennis / AI-tool / wisselend)
  3. Heb je ooit een financiële vaardigheidscursus gevolgd? (ja, welke / nee)

7. Vragenlijst B — kantoren

Achtergrond: type kantoor, fte, aantal klanten, aandeel klein-MKB, aangesloten bij welke koepel.

  1. Bij hoeveel procent van je klein-MKB-klanten lever je meer dan alleen jaarwerk en aangifte?
  2. Hoeveel van je klein-MKB-klanten hebben een vast bespreekmoment buiten de jaarrekening om? (percentage)
  3. Noem de laatste keer dat een klein-MKB-klant iets in zijn bedrijf veranderde naar aanleiding van iets dat jullie signaleerden. (open) — gespiegeld aan A5
  4. Wie zag dat het eerst: jullie of de klant?
  5. Hoe vaak komt zoiets voor bij een gemiddelde klein-MKB-klant per jaar? (0 / 1 / 2–3 / 4 of meer) — gespiegeld aan A11
  6. Wat is jullie gemiddelde doorlooptijd van boekjaareinde tot opgeleverde jaarrekening? (maanden)
  7. Wat is de belangrijkste oorzaak van vertraging? (aanlevering klant / capaciteit / vaktechniek / prioritering / anders)
  8. Leveren jullie tussentijdse cijfers aan klein-MKB? (standaard / op verzoek / nee) Zo ja, hoe vaak en in welke vorm?
  9. Bespreken jullie die, of leveren jullie ze alleen?
  10. Wat is jullie doel bij een klein-MKB-klant: dat hij het zelf kan, of dat wij het voor hem doen? (schaal, en open toelichting)
  11. Doen jullie iets om de financiële vaardigheid van klanten te vergroten? (uitleg bij bespreking / cursus / dashboard met toelichting / niets structureels)
  12. Hoeveel van je klein-MKB-klanten kunnen naar jullie inschatting zelfstandig een balans lezen? (percentage) — te vergelijken met de zelfrapportage uit A
  13. Merken jullie dat klanten met AI-antwoorden komen? (nooit / soms / regelmatig / vaak)
  14. Hoe gaan jullie daarmee om? (open)
  15. Zetten jullie zelf AI in richting klanten? (nee / intern / in advies / in signalering)
  16. Wat is bij jullie het model: uurtarief, abonnement, of gemengd? En verandert dat?

8. Analyse

  • Verdeling over de vier typen (A–D), naar bedrijfsgrootte, leeftijd en wel/geen kantoor.
  • Vergelijking A5 versus B3: hoe vaak zeggen ondernemers dat het kantoor het aanreikte, versus hoe vaak kantoren dat zeggen. Dit is de kop.
  • Vergelijking A-zelfrapportage over kunnen lezen van cijfers versus B12 (inschatting kantoren).
  • AI: waar gaat de ondernemer het eerst heen (A26), en herkennen kantoren dat (B13).
  • Doorlooptijd jaarrekening (B6) afgezet tegen of er iets veranderde naar aanleiding van die jaarrekening (A19). Dit toetst rechtstreeks de aanname waar het hele gesprek mee begon.
  • Subgroep zonder kantoor: hoe verhoudt hun cyclus zich tot die van klanten van kantoren.

9. Wat er niet in zit

Het meetbare effect van het afschaffen van de vaardigheidseis in 2001/2004 is met dit design niet vast te stellen. Dat vraagt om CBS-microdata, overlevings- en faillissementsdata rond een in fasen doorgevoerde ingreep van meer dan twintig jaar geleden, met een controlegroep van nooit-vergunningplichtige sectoren. Technisch mogelijk, maar academisch werk met grote kans op een nulresultaat. Opnemen als literatuurparagraaf in de rapportage, niet als onderzoeksvraag.

10. Uitvoering

Doorlooptijd 4–5 maanden van opdracht tot rapport
Veldwerk 4–6 weken
Uitvoerder Onderzoeksbureau, niet een scriptietraject — de gespiegelde opzet en de codering van open antwoorden vragen om routine
Indicatie kosten Grofweg €25.000–45.000 voor beide steekproeven met panelinkoop, afhankelijk van n en van de diepte-interviews. Te bevestigen via offerte.

11. Publicatie en positionering

Onder AWL, met de bevindingen als vertrekpunt en niet als aanklacht. De constatering “de koepels staren naar hun navel” is de makkelijke kop en de slechtste strategie: dan sluiten ze. Dezelfde bevinding als “niemand meet de gebruikerskant” is iets dat ze kunnen invullen, en dan wordt het een uitnodiging.

Volgorde die de meeste kans geeft:

  1. Rapport publiceren onder AWL, met de vier typen als kern.
  2. NOAB als eerste aanspreekpunt: dichtst bij het klein-MKB, ruim duizend kantoren met samen zo’n 175.000 ondernemers, en op dit moment geen instrument aan de gebruikerskant.
  3. KVK en het ministerie van EZ als tweede ring — zij zijn de partij die in 2001 koos voor voorlichting in plaats van vergunningseisen, en zij hebben nooit geëvalueerd of dat werkte. Dat is de eigenlijke uitdaging.
  4. Herhaalmeting na twee jaar als het aanslaat. Een eenmalige meting is een nieuwsbericht; een reeks is een positie.
  • hoort bij vraag 1
  • concept, versie 1
  • laatst gewijzigd